|
||
|
Een man met een roeibootHet was volkomen toevallig dat mijn opa met zijn schip in Zeeland lag toen de watersnoodramp plaatsvond. De ochtend voor de ramp, op zaterdag 31 januari 1953, lag de Maria aan de Scheldekade in Antwerpen. Mijn opa voer destijds in de huur bij rederij Neska. Naast zijn vrouw en twee jongetjes van twee en vijf was er ook een matroos aan boord. In Antwerpen was er geen lading, en daarom moest hij naar Rotterdam. Hij lag opzij bij een buurman die vroeg weg wilde - anders had hij gewacht tot het licht zou zijn om te kijken wat voor weer het werd. Nu was hij al wakker en lag het schip al los, en is hij gaan varen. Nietsvermoedend begaf hij zich naar het epicentrum van de ramp.
Prelude
We hoopten dat we met laag water verder konden op de stroom mee, maar ebstroom zouden we niet meer krijgen. Het werd alleen maar erger. De dijken kon je amper meer zien. Het was een vreemd gezicht: de Westerschelde tot de rand vol met water. Ik stond voor een dilemma. In het donker varen zou gevaarlijk zijn met dit weer, maar die nacht blijven liggen was ook geen optie, want ik lag met een klipanker in de kleigrond. Als er dan een kluit klei aan het anker blijft hangen, pakt dat anker niet meer. Laat in de middag gingen we toch maar varen. Met tegenstroom en tegenwind duurde het lang voor we Hansweert bereikten, maar het was toch nog dag.’
Twee nonnen
Ik ging terug naar het schip en liet de roeiboot zakken. Met z'n allen tilden we die uit het water en over de dijk. Dat was nog een hele klus. Samen met m'n matroos roeide ik naar Hansweert-Oost. Het eerste werk dat we kregen was een kapel waarin twee nonnen op het plafond van het portaal stonden te wachten. Ze konden nergens naartoe. Met de achterkant van een riem sloegen we het glas-in-loodraam kapot en verwrongen we het lood zodat ze erdoor konden. Die nonnen zaten goed in de kleding dus het was een aardige klus om ze in de roeiboot te krijgen.’
Lampekap De meeste mensen zaten boven in het huis voor het raam te wachten. We riepen dat ze met hun benen buiten het raam moesten hangen. Bij een opgaande golf pakten we ze bij de benen en dan trokken we ze in de roeiboot, want ze durfden zich niet uit het raam te laten vallen. Daarna brachten we ze naar een stukje dijk. Waar ze dan naar toe gingen weet ik niet, daar hadden we geen tijd voor. Zo waren we de hele dag met zijn tweeën bezig. Het was maar een vletje, we konden niet meer dan twee of drie mensen tegelijk meenemen. Ik heb geen idee hoeveel mensen we uit de huizen gehaald hebben. We gingen door tot alles leeg was.
Er gebeurde verder weinig, want we waren doorlopend bezig. Door de mensen werd weinig gezegd, heel weinig. Ze hadden geen woorden, er waren geen woorden. Er heerste een totale verbijstering. De emoties uitten zich op andere manieren. Bijvoorbeeld de spullen die mensen in hun handen hadden en niet los wilden laten. Ze hadden de vreemdste dingen bij zich: een vrouw klemde zich vast aan een lampenkap, een ander nam een naaidoos mee. Voor ons bemoeilijkte dat het werk, want ze moesten hun handen vrij houden. Maar ik geloof niet dat ze het zelf beseften. Ze waren helemaal van de kaart. We moesten ze commanderen: als de golf omhoog gaat dan pakken we je. Zelf waren ze tot niets in staat. Ze zaten wezenloos te kijken.’
Trommeltjes brood Later op de dag vroeg Rijkswaterstaat of ik met het schip voor het dorp wilde komen liggen. Het westelijk deel van Hansweert, aan de andere kant van het kanaal, stond nog droog. Ze waren bang dat de storm de nacht daarop nog een gat zou slaan. Dan zou ik die mensen in het ruim nemen. Ik ben daar met mijn schip gaan liggen, maar er gebeurde gelukkig niets meer.
Daarmee is het verhaal ten einde. De volgende dag belde ik Neska met de vraag of ik in Zeeland mocht gaan helpen. Dat kon niet; ik moest leeg terug naar Brussel. Ze hadden uit Rotterdam al wat schepen naar Schouwen-Duiveland gestuurd. We voeren terug naar België, tussen de kadavers door. Daar namen we een lading in, en toen we weer langs Hansweert kwamen was de druk van de ketel. Ze hebben het gebied drooggemalen en zijn weer gaan bouwen. Later is er een grote sluis gebouwd, en toen moesten de woningen die daar stonden weer wijken. Het leven gaat verder.’
Anonieme redders
De Provinciale Zeeuwse Courant bracht op 1 februari 1953 een zondagse noodeditie uit met reportages over de ramp. Eén verhaal in de krant gaat over twee nonnen van het internaat Maria Oord te Hansweert: ‘twee zusters wilden nog enkele kostbaarheden uit de kapel redden. Deze was nog droog, maar door het plotseling aanstromende water sloeg de deur dicht, zodat de zusters opgesloten waren. Door roepen trok men de aandacht van de anderen, maar omdat redding uitgesloten scheen, verleende de rector de zusters, die hij met zijn stem kon bereiken, de absolutie. Die redding kwam toch: een man voer met een roeiboot langs het gebouw en wist de beide zusters door het tuimelraam te trekken.’ Die man met een roeiboot waren mijn opa en zijn matroos.
|